Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik geef terug
jij/je geeft terug
hij/zij/het/u geeft terug
wij/we geven terug
jullie geven terug
zij/ze geven terug
onvoltooid verleden tijdpast
ik gaf terug
jij/je gaf terug
hij/zij/het/u gaf terug
wij/we gaven terug
jullie gaven terug
zij/ze gaven terug
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb teruggegeven
jij/je hebt teruggegeven
hij/zij/het/u heeft teruggegeven
wij/we hebben teruggegeven
jullie hebben teruggegeven
zij/ze hebben teruggegeven
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had teruggegeven
jij/je had teruggegeven
hij/zij/het/u had teruggegeven
wij/we hadden teruggegeven
jullie hadden teruggegeven
zij/ze hadden teruggegeven
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal teruggeven
jij/je zult teruggeven
hij/zij/het/u zal teruggeven
wij/we zullen teruggeven
jullie zullen teruggeven
zij/ze zullen teruggeven
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben teruggegeven
jij/je zult hebben teruggegeven
hij/zij/het/u zal hebben teruggegeven
wij/we zullen hebben teruggegeven
jullie zullen hebben teruggegeven
zij/ze zullen hebben teruggegeven
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou teruggeven
jij/je zou teruggeven
hij/zij/het/u zou teruggeven
wij/we zouden teruggeven
jullie zouden teruggeven
zij/ze zouden teruggeven
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben teruggegeven
jij/je zou hebben teruggegeven
hij/zij/het/u zou hebben teruggegeven
wij/we zouden hebben teruggegeven
jullie zouden hebben teruggegeven
zij/ze zouden hebben teruggegeven
gebiedende wijs: geef terug
tegenwoordig deelwoord: teruggevend
voltooid deelwoord: teruggegeven
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik geef je morgen het boek terug.
I will give you the book back tomorrow.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij gaf de sleutels aan de buurman terug.
He gave the keys back to the neighbour.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Zij heeft het geleende geld al teruggegeven.
She has already given back the borrowed money.