Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik tel
jij/je telt
hij/zij/het/u telt
wij/we tellen
jullie tellen
zij/ze tellen
onvoltooid verleden tijdpast
ik telde
jij/je telde
hij/zij/het/u telde
wij/we telden
jullie telden
zij/ze telden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geteld
jij/je hebt geteld
hij/zij/het/u heeft geteld
wij/we hebben geteld
jullie hebben geteld
zij/ze hebben geteld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geteld
jij/je had geteld
hij/zij/het/u had geteld
wij/we hadden geteld
jullie hadden geteld
zij/ze hadden geteld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal tellen
jij/je zult tellen
hij/zij/het/u zal tellen
wij/we zullen tellen
jullie zullen tellen
zij/ze zullen tellen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geteld
jij/je zult hebben geteld
hij/zij/het/u zal hebben geteld
wij/we zullen hebben geteld
jullie zullen hebben geteld
zij/ze zullen hebben geteld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou tellen
jij/je zou tellen
hij/zij/het/u zou tellen
wij/we zouden tellen
jullie zouden tellen
zij/ze zouden tellen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geteld
jij/je zou hebben geteld
hij/zij/het/u zou hebben geteld
wij/we zouden hebben geteld
jullie zouden hebben geteld
zij/ze zouden hebben geteld
gebiedende wijs: tel
tegenwoordig deelwoord: tellend
voltooid deelwoord: geteld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De juf telt de kinderen in de klas.
The teacher counts the children in the classroom.
Onvoltooid verleden tijdPast
Ik telde mijn spaargeld op tafel.
I counted my savings on the table.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Wij zullen de stemmen vanavond tellen.
We will count the votes tonight.
Voltooid toekomende tijdFuture perfect
De juf zal alle kinderen twee keer hebben geteld.
The teacher will have counted all the children twice.