Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik straf
jij/je straft
hij/zij/het/u straft
wij/we straffen
jullie straffen
zij/ze straffen
onvoltooid verleden tijdpast
ik strafte
jij/je strafte
hij/zij/het/u strafte
wij/we straften
jullie straften
zij/ze straften
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gestraft
jij/je hebt gestraft
hij/zij/het/u heeft gestraft
wij/we hebben gestraft
jullie hebben gestraft
zij/ze hebben gestraft
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gestraft
jij/je had gestraft
hij/zij/het/u had gestraft
wij/we hadden gestraft
jullie hadden gestraft
zij/ze hadden gestraft
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal straffen
jij/je zult straffen
hij/zij/het/u zal straffen
wij/we zullen straffen
jullie zullen straffen
zij/ze zullen straffen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gestraft
jij/je zult hebben gestraft
hij/zij/het/u zal hebben gestraft
wij/we zullen hebben gestraft
jullie zullen hebben gestraft
zij/ze zullen hebben gestraft
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou straffen
jij/je zou straffen
hij/zij/het/u zou straffen
wij/we zouden straffen
jullie zouden straffen
zij/ze zouden straffen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gestraft
jij/je zou hebben gestraft
hij/zij/het/u zou hebben gestraft
wij/we zouden hebben gestraft
jullie zouden hebben gestraft
zij/ze zouden hebben gestraft
gebiedende wijs: straf
tegenwoordig deelwoord: straffend
voltooid deelwoord: gestraft
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De scheidsrechter straft elke overtreding.
The referee punishes every foul.
Onvoltooid verleden tijdPast
De juf strafte de jongen met extra huiswerk.
The teacher punished the boy with extra homework.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De bond heeft de club met een boete gestraft.
The league punished the club with a fine.