Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik sterf
jij/je sterft
hij/zij/het/u sterft
wij/we sterven
jullie sterven
zij/ze sterven
onvoltooid verleden tijdpast
ik stierf
jij/je stierf
hij/zij/het/u stierf
wij/we stierven
jullie stierven
zij/ze stierven
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben gestorven
jij/je bent gestorven
hij/zij/het/u is gestorven
wij/we zijn gestorven
jullie zijn gestorven
zij/ze zijn gestorven
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was gestorven
jij/je was gestorven
hij/zij/het/u was gestorven
wij/we waren gestorven
jullie waren gestorven
zij/ze waren gestorven
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal sterven
jij/je zult sterven
hij/zij/het/u zal sterven
wij/we zullen sterven
jullie zullen sterven
zij/ze zullen sterven
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn gestorven
jij/je zult zijn gestorven
hij/zij/het/u zal zijn gestorven
wij/we zullen zijn gestorven
jullie zullen zijn gestorven
zij/ze zullen zijn gestorven
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou sterven
jij/je zou sterven
hij/zij/het/u zou sterven
wij/we zouden sterven
jullie zouden sterven
zij/ze zouden sterven
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn gestorven
jij/je zou zijn gestorven
hij/zij/het/u zou zijn gestorven
wij/we zouden zijn gestorven
jullie zouden zijn gestorven
zij/ze zouden zijn gestorven
gebiedende wijs: sterf
tegenwoordig deelwoord: stervend
voltooid deelwoord: gestorven
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Deze plant sterft zonder water.
This plant dies without water.
Onvoltooid verleden tijdPast
De oude boom stierf na de strenge winter.
The old tree died after the harsh winter.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Onze goudvis is vorige week gestorven.
Our goldfish died last week.
Voltooid toekomende tijdFuture perfect
De oude boom zal door de droogte zijn gestorven.
The old tree will have died from the drought.