Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik steel
jij/je steelt
hij/zij/het/u steelt
wij/we stelen
jullie stelen
zij/ze stelen
onvoltooid verleden tijdpast
ik stal
jij/je stal
hij/zij/het/u stal
wij/we stalen
jullie stalen
zij/ze stalen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gestolen
jij/je hebt gestolen
hij/zij/het/u heeft gestolen
wij/we hebben gestolen
jullie hebben gestolen
zij/ze hebben gestolen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gestolen
jij/je had gestolen
hij/zij/het/u had gestolen
wij/we hadden gestolen
jullie hadden gestolen
zij/ze hadden gestolen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal stelen
jij/je zult stelen
hij/zij/het/u zal stelen
wij/we zullen stelen
jullie zullen stelen
zij/ze zullen stelen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gestolen
jij/je zult hebben gestolen
hij/zij/het/u zal hebben gestolen
wij/we zullen hebben gestolen
jullie zullen hebben gestolen
zij/ze zullen hebben gestolen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou stelen
jij/je zou stelen
hij/zij/het/u zou stelen
wij/we zouden stelen
jullie zouden stelen
zij/ze zouden stelen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gestolen
jij/je zou hebben gestolen
hij/zij/het/u zou hebben gestolen
wij/we zouden hebben gestolen
jullie zouden hebben gestolen
zij/ze zouden hebben gestolen
gebiedende wijs: steel
tegenwoordig deelwoord: stelend
voltooid deelwoord: gestolen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Die ekster steelt glimmende dingen.
That magpie steals shiny things.
Onvoltooid verleden tijdPast
Iemand stal gisteren mijn fiets.
Someone stole my bike yesterday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Dieven hebben de schilderijen uit het museum gestolen.
Thieves have stolen the paintings from the museum.