Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik sta
jij/je staat
hij/zij/het/u staat
wij/we staan
jullie staan
zij/ze staan
onvoltooid verleden tijdpast
ik stond
jij/je stond
hij/zij/het/u stond
wij/we stonden
jullie stonden
zij/ze stonden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gestaan
jij/je hebt gestaan
hij/zij/het/u heeft gestaan
wij/we hebben gestaan
jullie hebben gestaan
zij/ze hebben gestaan
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gestaan
jij/je had gestaan
hij/zij/het/u had gestaan
wij/we hadden gestaan
jullie hadden gestaan
zij/ze hadden gestaan
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal staan
jij/je zult staan
hij/zij/het/u zal staan
wij/we zullen staan
jullie zullen staan
zij/ze zullen staan
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gestaan
jij/je zult hebben gestaan
hij/zij/het/u zal hebben gestaan
wij/we zullen hebben gestaan
jullie zullen hebben gestaan
zij/ze zullen hebben gestaan
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou staan
jij/je zou staan
hij/zij/het/u zou staan
wij/we zouden staan
jullie zouden staan
zij/ze zouden staan
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gestaan
jij/je zou hebben gestaan
hij/zij/het/u zou hebben gestaan
wij/we zouden hebben gestaan
jullie zouden hebben gestaan
zij/ze zouden hebben gestaan
gebiedende wijs: sta
tegenwoordig deelwoord: staand
voltooid deelwoord: gestaan
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik sta elke ochtend vroeg bij de bushalte.
I stand at the bus stop early every morning.
Onvoltooid verleden tijdPast
De fiets stond tegen de muur.
The bike stood against the wall.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben een uur in de rij gestaan.
We stood in line for an hour.