Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik speel
jij/je speelt
hij/zij/het/u speelt
wij/we spelen
jullie spelen
zij/ze spelen
onvoltooid verleden tijdpast
ik speelde
jij/je speelde
hij/zij/het/u speelde
wij/we speelden
jullie speelden
zij/ze speelden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gespeeld
jij/je hebt gespeeld
hij/zij/het/u heeft gespeeld
wij/we hebben gespeeld
jullie hebben gespeeld
zij/ze hebben gespeeld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gespeeld
jij/je had gespeeld
hij/zij/het/u had gespeeld
wij/we hadden gespeeld
jullie hadden gespeeld
zij/ze hadden gespeeld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal spelen
jij/je zult spelen
hij/zij/het/u zal spelen
wij/we zullen spelen
jullie zullen spelen
zij/ze zullen spelen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gespeeld
jij/je zult hebben gespeeld
hij/zij/het/u zal hebben gespeeld
wij/we zullen hebben gespeeld
jullie zullen hebben gespeeld
zij/ze zullen hebben gespeeld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou spelen
jij/je zou spelen
hij/zij/het/u zou spelen
wij/we zouden spelen
jullie zouden spelen
zij/ze zouden spelen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gespeeld
jij/je zou hebben gespeeld
hij/zij/het/u zou hebben gespeeld
wij/we zouden hebben gespeeld
jullie zouden hebben gespeeld
zij/ze zouden hebben gespeeld
gebiedende wijs: speel
tegenwoordig deelwoord: spelend
voltooid deelwoord: gespeeld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De kinderen spelen buiten in de tuin.
The children are playing outside in the garden.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij speelden vroeger elke dag voetbal.
We used to play football every day.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Zij zal morgen piano spelen op het feest.
She will play the piano at the party tomorrow.