Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik snijd
jij/je snijdt
hij/zij/het/u snijdt
wij/we snijden
jullie snijden
zij/ze snijden
onvoltooid verleden tijdpast
ik sneed
jij/je sneed
hij/zij/het/u sneed
wij/we sneden
jullie sneden
zij/ze sneden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gesneden
jij/je hebt gesneden
hij/zij/het/u heeft gesneden
wij/we hebben gesneden
jullie hebben gesneden
zij/ze hebben gesneden
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gesneden
jij/je had gesneden
hij/zij/het/u had gesneden
wij/we hadden gesneden
jullie hadden gesneden
zij/ze hadden gesneden
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal snijden
jij/je zult snijden
hij/zij/het/u zal snijden
wij/we zullen snijden
jullie zullen snijden
zij/ze zullen snijden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gesneden
jij/je zult hebben gesneden
hij/zij/het/u zal hebben gesneden
wij/we zullen hebben gesneden
jullie zullen hebben gesneden
zij/ze zullen hebben gesneden
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou snijden
jij/je zou snijden
hij/zij/het/u zou snijden
wij/we zouden snijden
jullie zouden snijden
zij/ze zouden snijden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gesneden
jij/je zou hebben gesneden
hij/zij/het/u zou hebben gesneden
wij/we zouden hebben gesneden
jullie zouden hebben gesneden
zij/ze zouden hebben gesneden
gebiedende wijs: snijd
tegenwoordig deelwoord: snijdend
voltooid deelwoord: gesneden
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Hij snijdt het brood in dunne plakken.
He cuts the bread into thin slices.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb de groenten al gesneden.
I have already cut the vegetables.
Gebiedende wijsImperative
Snijd de ui in kleine stukjes.
Cut the onion into small pieces.
Voltooid verleden tijdPast perfect
Hij had het brood in dunne plakken gesneden.
He had cut the bread into thin slices.