Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik snap
jij/je snapt
hij/zij/het/u snapt
wij/we snappen
jullie snappen
zij/ze snappen
onvoltooid verleden tijdpast
ik snapte
jij/je snapte
hij/zij/het/u snapte
wij/we snapten
jullie snapten
zij/ze snapten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gesnapt
jij/je hebt gesnapt
hij/zij/het/u heeft gesnapt
wij/we hebben gesnapt
jullie hebben gesnapt
zij/ze hebben gesnapt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gesnapt
jij/je had gesnapt
hij/zij/het/u had gesnapt
wij/we hadden gesnapt
jullie hadden gesnapt
zij/ze hadden gesnapt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal snappen
jij/je zult snappen
hij/zij/het/u zal snappen
wij/we zullen snappen
jullie zullen snappen
zij/ze zullen snappen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gesnapt
jij/je zult hebben gesnapt
hij/zij/het/u zal hebben gesnapt
wij/we zullen hebben gesnapt
jullie zullen hebben gesnapt
zij/ze zullen hebben gesnapt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou snappen
jij/je zou snappen
hij/zij/het/u zou snappen
wij/we zouden snappen
jullie zouden snappen
zij/ze zouden snappen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gesnapt
jij/je zou hebben gesnapt
hij/zij/het/u zou hebben gesnapt
wij/we zouden hebben gesnapt
jullie zouden hebben gesnapt
zij/ze zouden hebben gesnapt
gebiedende wijs: snap
tegenwoordig deelwoord: snappend
voltooid deelwoord: gesnapt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik snap deze wiskundesom niet.
I don't get this math problem.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij snapte de grap meteen.
She got the joke right away.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben de uitleg goed gesnapt.
We understood the explanation well.