Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik smaak
jij/je smaakt
hij/zij/het/u smaakt
wij/we smaken
jullie smaken
zij/ze smaken
onvoltooid verleden tijdpast
ik smaakte
jij/je smaakte
hij/zij/het/u smaakte
wij/we smaakten
jullie smaakten
zij/ze smaakten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gesmaakt
jij/je hebt gesmaakt
hij/zij/het/u heeft gesmaakt
wij/we hebben gesmaakt
jullie hebben gesmaakt
zij/ze hebben gesmaakt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gesmaakt
jij/je had gesmaakt
hij/zij/het/u had gesmaakt
wij/we hadden gesmaakt
jullie hadden gesmaakt
zij/ze hadden gesmaakt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal smaken
jij/je zult smaken
hij/zij/het/u zal smaken
wij/we zullen smaken
jullie zullen smaken
zij/ze zullen smaken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gesmaakt
jij/je zult hebben gesmaakt
hij/zij/het/u zal hebben gesmaakt
wij/we zullen hebben gesmaakt
jullie zullen hebben gesmaakt
zij/ze zullen hebben gesmaakt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou smaken
jij/je zou smaken
hij/zij/het/u zou smaken
wij/we zouden smaken
jullie zouden smaken
zij/ze zouden smaken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gesmaakt
jij/je zou hebben gesmaakt
hij/zij/het/u zou hebben gesmaakt
wij/we zouden hebben gesmaakt
jullie zouden hebben gesmaakt
zij/ze zouden hebben gesmaakt
gebiedende wijs: smaak
tegenwoordig deelwoord: smakend
voltooid deelwoord: gesmaakt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Deze soep smaakt heerlijk.
This soup tastes delicious.
Onvoltooid verleden tijdPast
De taart smaakte naar verse aardbeien.
The cake tasted of fresh strawberries.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Het eten heeft ons prima gesmaakt.
We really enjoyed the meal.