Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik slaag
jij/je slaagt
hij/zij/het/u slaagt
wij/we slagen
jullie slagen
zij/ze slagen
onvoltooid verleden tijdpast
ik slaagde
jij/je slaagde
hij/zij/het/u slaagde
wij/we slaagden
jullie slaagden
zij/ze slaagden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben geslaagd
jij/je bent geslaagd
hij/zij/het/u is geslaagd
wij/we zijn geslaagd
jullie zijn geslaagd
zij/ze zijn geslaagd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was geslaagd
jij/je was geslaagd
hij/zij/het/u was geslaagd
wij/we waren geslaagd
jullie waren geslaagd
zij/ze waren geslaagd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal slagen
jij/je zult slagen
hij/zij/het/u zal slagen
wij/we zullen slagen
jullie zullen slagen
zij/ze zullen slagen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn geslaagd
jij/je zult zijn geslaagd
hij/zij/het/u zal zijn geslaagd
wij/we zullen zijn geslaagd
jullie zullen zijn geslaagd
zij/ze zullen zijn geslaagd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou slagen
jij/je zou slagen
hij/zij/het/u zou slagen
wij/we zouden slagen
jullie zouden slagen
zij/ze zouden slagen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn geslaagd
jij/je zou zijn geslaagd
hij/zij/het/u zou zijn geslaagd
wij/we zouden zijn geslaagd
jullie zouden zijn geslaagd
zij/ze zouden zijn geslaagd
gebiedende wijs: slaag
tegenwoordig deelwoord: slagend
voltooid deelwoord: geslaagd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Mijn zus slaagt altijd voor haar examens.
My sister always passes her exams.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik ben geslaagd voor mijn rijexamen.
I passed my driving test.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij slaagde vorig jaar voor zijn eindexamen.
He passed his final exams last year.
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditional
Met wat extra hulp zou zij zeker slagen voor het examen.
With some extra help she would certainly pass the exam.