Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik scheer
jij/je scheert
hij/zij/het/u scheert
wij/we scheren
jullie scheren
zij/ze scheren
onvoltooid verleden tijdpast
ik schoor
jij/je schoor
hij/zij/het/u schoor
wij/we schoren
jullie schoren
zij/ze schoren
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geschoren
jij/je hebt geschoren
hij/zij/het/u heeft geschoren
wij/we hebben geschoren
jullie hebben geschoren
zij/ze hebben geschoren
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geschoren
jij/je had geschoren
hij/zij/het/u had geschoren
wij/we hadden geschoren
jullie hadden geschoren
zij/ze hadden geschoren
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal scheren
jij/je zult scheren
hij/zij/het/u zal scheren
wij/we zullen scheren
jullie zullen scheren
zij/ze zullen scheren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geschoren
jij/je zult hebben geschoren
hij/zij/het/u zal hebben geschoren
wij/we zullen hebben geschoren
jullie zullen hebben geschoren
zij/ze zullen hebben geschoren
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou scheren
jij/je zou scheren
hij/zij/het/u zou scheren
wij/we zouden scheren
jullie zouden scheren
zij/ze zouden scheren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geschoren
jij/je zou hebben geschoren
hij/zij/het/u zou hebben geschoren
wij/we zouden hebben geschoren
jullie zouden hebben geschoren
zij/ze zouden hebben geschoren
gebiedende wijs: scheer
tegenwoordig deelwoord: scherend
voltooid deelwoord: geschoren
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De boer scheert de schapen in de lente.
The farmer shears the sheep in spring.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij schoor zich snel voor het feest.
He shaved quickly before the party.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb me vanochtend niet geschoren.
I did not shave this morning.