Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik ruik
jij/je ruikt
hij/zij/het/u ruikt
wij/we ruiken
jullie ruiken
zij/ze ruiken
onvoltooid verleden tijdpast
ik rook
jij/je rook
hij/zij/het/u rook
wij/we roken
jullie roken
zij/ze roken
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geroken
jij/je hebt geroken
hij/zij/het/u heeft geroken
wij/we hebben geroken
jullie hebben geroken
zij/ze hebben geroken
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geroken
jij/je had geroken
hij/zij/het/u had geroken
wij/we hadden geroken
jullie hadden geroken
zij/ze hadden geroken
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal ruiken
jij/je zult ruiken
hij/zij/het/u zal ruiken
wij/we zullen ruiken
jullie zullen ruiken
zij/ze zullen ruiken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geroken
jij/je zult hebben geroken
hij/zij/het/u zal hebben geroken
wij/we zullen hebben geroken
jullie zullen hebben geroken
zij/ze zullen hebben geroken
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou ruiken
jij/je zou ruiken
hij/zij/het/u zou ruiken
wij/we zouden ruiken
jullie zouden ruiken
zij/ze zouden ruiken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geroken
jij/je zou hebben geroken
hij/zij/het/u zou hebben geroken
wij/we zouden hebben geroken
jullie zouden hebben geroken
zij/ze zouden hebben geroken
gebiedende wijs: ruik
tegenwoordig deelwoord: ruikend
voltooid deelwoord: geroken
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik ruik verse koffie in de keuken.
I smell fresh coffee in the kitchen.
Onvoltooid verleden tijdPast
Het hele huis rook naar appeltaart.
The whole house smelled of apple pie.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Zij heeft mijn nieuwe parfum meteen geroken.
She noticed my new perfume right away.
Voltooid toekomende tijdFuture perfect
De hond zal de worst allang hebben geroken.
The dog will have smelled the sausage long ago.