Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik roof
jij/je rooft
hij/zij/het/u rooft
wij/we roven
jullie roven
zij/ze roven
onvoltooid verleden tijdpast
ik roofde
jij/je roofde
hij/zij/het/u roofde
wij/we roofden
jullie roofden
zij/ze roofden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geroofd
jij/je hebt geroofd
hij/zij/het/u heeft geroofd
wij/we hebben geroofd
jullie hebben geroofd
zij/ze hebben geroofd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geroofd
jij/je had geroofd
hij/zij/het/u had geroofd
wij/we hadden geroofd
jullie hadden geroofd
zij/ze hadden geroofd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal roven
jij/je zult roven
hij/zij/het/u zal roven
wij/we zullen roven
jullie zullen roven
zij/ze zullen roven
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geroofd
jij/je zult hebben geroofd
hij/zij/het/u zal hebben geroofd
wij/we zullen hebben geroofd
jullie zullen hebben geroofd
zij/ze zullen hebben geroofd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou roven
jij/je zou roven
hij/zij/het/u zou roven
wij/we zouden roven
jullie zouden roven
zij/ze zouden roven
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geroofd
jij/je zou hebben geroofd
hij/zij/het/u zou hebben geroofd
wij/we zouden hebben geroofd
jullie zouden hebben geroofd
zij/ze zouden hebben geroofd
gebiedende wijs: roof
tegenwoordig deelwoord: rovend
voltooid deelwoord: geroofd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De ekster rooft graag glimmende dingen.
The magpie likes to steal shiny things.
Onvoltooid verleden tijdPast
De piraten roofden goud van de schepen.
The pirates stole gold from the ships.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De vos heeft een kip uit het kippenhok geroofd.
The fox stole a chicken from the henhouse.
Voltooid verleden tijdPast perfect
De dieven hadden juwelen uit de winkel geroofd.
The thieves had stolen jewels from the shop.