Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik rijd rond
jij/je rijdt rond
hij/zij/het/u rijdt rond
wij/we rijden rond
jullie rijden rond
zij/ze rijden rond
onvoltooid verleden tijdpast
ik reed rond
jij/je reed rond
hij/zij/het/u reed rond
wij/we reden rond
jullie reden rond
zij/ze reden rond
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb rondgereden
jij/je hebt rondgereden
hij/zij/het/u heeft rondgereden
wij/we hebben rondgereden
jullie hebben rondgereden
zij/ze hebben rondgereden
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had rondgereden
jij/je had rondgereden
hij/zij/het/u had rondgereden
wij/we hadden rondgereden
jullie hadden rondgereden
zij/ze hadden rondgereden
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal rondrijden
jij/je zult rondrijden
hij/zij/het/u zal rondrijden
wij/we zullen rondrijden
jullie zullen rondrijden
zij/ze zullen rondrijden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben rondgereden
jij/je zult hebben rondgereden
hij/zij/het/u zal hebben rondgereden
wij/we zullen hebben rondgereden
jullie zullen hebben rondgereden
zij/ze zullen hebben rondgereden
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou rondrijden
jij/je zou rondrijden
hij/zij/het/u zou rondrijden
wij/we zouden rondrijden
jullie zouden rondrijden
zij/ze zouden rondrijden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben rondgereden
jij/je zou hebben rondgereden
hij/zij/het/u zou hebben rondgereden
wij/we zouden hebben rondgereden
jullie zouden hebben rondgereden
zij/ze zouden hebben rondgereden
gebiedende wijs: rijd rond
tegenwoordig deelwoord: rondrijdend
voltooid deelwoord: rondgereden
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Hij rijdt elke avond een uurtje rond.
He drives around for an hour every evening.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij reden zondag rond door de polder.
On Sunday we drove around through the polder.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb de hele middag in de stad rondgereden.
I drove around town all afternoon.
Voltooid verleden toekomende tijdConditional perfect
Met een auto zouden wij de hele dag hebben rondgereden.
With a car, we would have driven around all day.