Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik rol
jij/je rolt
hij/zij/het/u rolt
wij/we rollen
jullie rollen
zij/ze rollen
onvoltooid verleden tijdpast
ik rolde
jij/je rolde
hij/zij/het/u rolde
wij/we rolden
jullie rolden
zij/ze rolden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gerold
jij/je hebt gerold
hij/zij/het/u heeft gerold
wij/we hebben gerold
jullie hebben gerold
zij/ze hebben gerold
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gerold
jij/je had gerold
hij/zij/het/u had gerold
wij/we hadden gerold
jullie hadden gerold
zij/ze hadden gerold
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal rollen
jij/je zult rollen
hij/zij/het/u zal rollen
wij/we zullen rollen
jullie zullen rollen
zij/ze zullen rollen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gerold
jij/je zult hebben gerold
hij/zij/het/u zal hebben gerold
wij/we zullen hebben gerold
jullie zullen hebben gerold
zij/ze zullen hebben gerold
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou rollen
jij/je zou rollen
hij/zij/het/u zou rollen
wij/we zouden rollen
jullie zouden rollen
zij/ze zouden rollen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gerold
jij/je zou hebben gerold
hij/zij/het/u zou hebben gerold
wij/we zouden hebben gerold
jullie zouden hebben gerold
zij/ze zouden hebben gerold
gebiedende wijs: rol
tegenwoordig deelwoord: rollend
voltooid deelwoord: gerold
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De bal rolt langzaam van de heuvel.
The ball rolls slowly down the hill.
Onvoltooid verleden tijdPast
De appel rolde onder de tafel.
The apple rolled under the table.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De kinderen hebben het deeg te dun gerold.
The children rolled the dough too thin.