Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik roer
jij/je roert
hij/zij/het/u roert
wij/we roeren
jullie roeren
zij/ze roeren
onvoltooid verleden tijdpast
ik roerde
jij/je roerde
hij/zij/het/u roerde
wij/we roerden
jullie roerden
zij/ze roerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geroerd
jij/je hebt geroerd
hij/zij/het/u heeft geroerd
wij/we hebben geroerd
jullie hebben geroerd
zij/ze hebben geroerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geroerd
jij/je had geroerd
hij/zij/het/u had geroerd
wij/we hadden geroerd
jullie hadden geroerd
zij/ze hadden geroerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal roeren
jij/je zult roeren
hij/zij/het/u zal roeren
wij/we zullen roeren
jullie zullen roeren
zij/ze zullen roeren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geroerd
jij/je zult hebben geroerd
hij/zij/het/u zal hebben geroerd
wij/we zullen hebben geroerd
jullie zullen hebben geroerd
zij/ze zullen hebben geroerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou roeren
jij/je zou roeren
hij/zij/het/u zou roeren
wij/we zouden roeren
jullie zouden roeren
zij/ze zouden roeren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geroerd
jij/je zou hebben geroerd
hij/zij/het/u zou hebben geroerd
wij/we zouden hebben geroerd
jullie zouden hebben geroerd
zij/ze zouden hebben geroerd
gebiedende wijs: roer
tegenwoordig deelwoord: roerend
voltooid deelwoord: geroerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik roer de suiker door mijn thee.
I stir the sugar into my tea.
Onvoltooid verleden tijdPast
Oma roerde langzaam in de soep.
Grandma stirred the soup slowly.
Gebiedende wijsImperative
Roer de saus goed door elkaar.
Stir the sauce well.