Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik roep
jij/je roept
hij/zij/het/u roept
wij/we roepen
jullie roepen
zij/ze roepen
onvoltooid verleden tijdpast
ik riep
jij/je riep
hij/zij/het/u riep
wij/we riepen
jullie riepen
zij/ze riepen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geroepen
jij/je hebt geroepen
hij/zij/het/u heeft geroepen
wij/we hebben geroepen
jullie hebben geroepen
zij/ze hebben geroepen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geroepen
jij/je had geroepen
hij/zij/het/u had geroepen
wij/we hadden geroepen
jullie hadden geroepen
zij/ze hadden geroepen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal roepen
jij/je zult roepen
hij/zij/het/u zal roepen
wij/we zullen roepen
jullie zullen roepen
zij/ze zullen roepen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geroepen
jij/je zult hebben geroepen
hij/zij/het/u zal hebben geroepen
wij/we zullen hebben geroepen
jullie zullen hebben geroepen
zij/ze zullen hebben geroepen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou roepen
jij/je zou roepen
hij/zij/het/u zou roepen
wij/we zouden roepen
jullie zouden roepen
zij/ze zouden roepen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geroepen
jij/je zou hebben geroepen
hij/zij/het/u zou hebben geroepen
wij/we zouden hebben geroepen
jullie zouden hebben geroepen
zij/ze zouden hebben geroepen
gebiedende wijs: roep
tegenwoordig deelwoord: roepend
voltooid deelwoord: geroepen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik roep de hond, maar hij komt niet.
I call the dog, but he does not come.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij riep mijn naam over straat.
He shouted my name across the street.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben je wel drie keer geroepen.
We called you three times.