Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik roddel
jij/je roddelt
hij/zij/het/u roddelt
wij/we roddelen
jullie roddelen
zij/ze roddelen
onvoltooid verleden tijdpast
ik roddelde
jij/je roddelde
hij/zij/het/u roddelde
wij/we roddelden
jullie roddelden
zij/ze roddelden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geroddeld
jij/je hebt geroddeld
hij/zij/het/u heeft geroddeld
wij/we hebben geroddeld
jullie hebben geroddeld
zij/ze hebben geroddeld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geroddeld
jij/je had geroddeld
hij/zij/het/u had geroddeld
wij/we hadden geroddeld
jullie hadden geroddeld
zij/ze hadden geroddeld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal roddelen
jij/je zult roddelen
hij/zij/het/u zal roddelen
wij/we zullen roddelen
jullie zullen roddelen
zij/ze zullen roddelen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geroddeld
jij/je zult hebben geroddeld
hij/zij/het/u zal hebben geroddeld
wij/we zullen hebben geroddeld
jullie zullen hebben geroddeld
zij/ze zullen hebben geroddeld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou roddelen
jij/je zou roddelen
hij/zij/het/u zou roddelen
wij/we zouden roddelen
jullie zouden roddelen
zij/ze zouden roddelen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geroddeld
jij/je zou hebben geroddeld
hij/zij/het/u zou hebben geroddeld
wij/we zouden hebben geroddeld
jullie zouden hebben geroddeld
zij/ze zouden hebben geroddeld
gebiedende wijs: roddel
tegenwoordig deelwoord: roddelend
voltooid deelwoord: geroddeld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Zij roddelen vaak over hun collega's.
They often gossip about their colleagues.
Onvoltooid verleden tijdPast
Vroeger roddelde hij over iedereen in het dorp.
He used to gossip about everyone in the village.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben nooit over jou geroddeld.
We have never gossiped about you.