Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik repareer
jij/je repareert
hij/zij/het/u repareert
wij/we repareren
jullie repareren
zij/ze repareren
onvoltooid verleden tijdpast
ik repareerde
jij/je repareerde
hij/zij/het/u repareerde
wij/we repareerden
jullie repareerden
zij/ze repareerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gerepareerd
jij/je hebt gerepareerd
hij/zij/het/u heeft gerepareerd
wij/we hebben gerepareerd
jullie hebben gerepareerd
zij/ze hebben gerepareerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gerepareerd
jij/je had gerepareerd
hij/zij/het/u had gerepareerd
wij/we hadden gerepareerd
jullie hadden gerepareerd
zij/ze hadden gerepareerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal repareren
jij/je zult repareren
hij/zij/het/u zal repareren
wij/we zullen repareren
jullie zullen repareren
zij/ze zullen repareren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gerepareerd
jij/je zult hebben gerepareerd
hij/zij/het/u zal hebben gerepareerd
wij/we zullen hebben gerepareerd
jullie zullen hebben gerepareerd
zij/ze zullen hebben gerepareerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou repareren
jij/je zou repareren
hij/zij/het/u zou repareren
wij/we zouden repareren
jullie zouden repareren
zij/ze zouden repareren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gerepareerd
jij/je zou hebben gerepareerd
hij/zij/het/u zou hebben gerepareerd
wij/we zouden hebben gerepareerd
jullie zouden hebben gerepareerd
zij/ze zouden hebben gerepareerd
gebiedende wijs: repareer
tegenwoordig deelwoord: reparerend
voltooid deelwoord: gerepareerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Mijn vader repareert zelf onze fietsen.
My father repairs our bikes himself.
Onvoltooid verleden tijdPast
De monteur repareerde de auto in één dag.
The mechanic repaired the car in one day.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben het dak samen gerepareerd.
We repaired the roof together.