Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik regeer
jij/je regeert
hij/zij/het/u regeert
wij/we regeren
jullie regeren
zij/ze regeren
onvoltooid verleden tijdpast
ik regeerde
jij/je regeerde
hij/zij/het/u regeerde
wij/we regeerden
jullie regeerden
zij/ze regeerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geregeerd
jij/je hebt geregeerd
hij/zij/het/u heeft geregeerd
wij/we hebben geregeerd
jullie hebben geregeerd
zij/ze hebben geregeerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geregeerd
jij/je had geregeerd
hij/zij/het/u had geregeerd
wij/we hadden geregeerd
jullie hadden geregeerd
zij/ze hadden geregeerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal regeren
jij/je zult regeren
hij/zij/het/u zal regeren
wij/we zullen regeren
jullie zullen regeren
zij/ze zullen regeren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geregeerd
jij/je zult hebben geregeerd
hij/zij/het/u zal hebben geregeerd
wij/we zullen hebben geregeerd
jullie zullen hebben geregeerd
zij/ze zullen hebben geregeerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou regeren
jij/je zou regeren
hij/zij/het/u zou regeren
wij/we zouden regeren
jullie zouden regeren
zij/ze zouden regeren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geregeerd
jij/je zou hebben geregeerd
hij/zij/het/u zou hebben geregeerd
wij/we zouden hebben geregeerd
jullie zouden hebben geregeerd
zij/ze zouden hebben geregeerd
gebiedende wijs: regeer
tegenwoordig deelwoord: regerend
voltooid deelwoord: geregeerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De koning regeert al twintig jaar.
The king has been ruling for twenty years.
Onvoltooid verleden tijdPast
Deze partij regeerde vier jaar lang.
This party governed for four years.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Na de verkiezingen zullen zij samen regeren.
After the elections they will govern together.