Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik regen
jij/je regent
hij/zij/het/u regent
wij/we regenen
jullie regenen
zij/ze regenen
onvoltooid verleden tijdpast
ik regende
jij/je regende
hij/zij/het/u regende
wij/we regenden
jullie regenden
zij/ze regenden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geregend
jij/je hebt geregend
hij/zij/het/u heeft geregend
wij/we hebben geregend
jullie hebben geregend
zij/ze hebben geregend
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geregend
jij/je had geregend
hij/zij/het/u had geregend
wij/we hadden geregend
jullie hadden geregend
zij/ze hadden geregend
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal regenen
jij/je zult regenen
hij/zij/het/u zal regenen
wij/we zullen regenen
jullie zullen regenen
zij/ze zullen regenen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geregend
jij/je zult hebben geregend
hij/zij/het/u zal hebben geregend
wij/we zullen hebben geregend
jullie zullen hebben geregend
zij/ze zullen hebben geregend
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou regenen
jij/je zou regenen
hij/zij/het/u zou regenen
wij/we zouden regenen
jullie zouden regenen
zij/ze zouden regenen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geregend
jij/je zou hebben geregend
hij/zij/het/u zou hebben geregend
wij/we zouden hebben geregend
jullie zouden hebben geregend
zij/ze zouden hebben geregend
gebiedende wijs: --
tegenwoordig deelwoord: regenend
voltooid deelwoord: geregend
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Het regent vandaag de hele dag.
It is raining all day today.
Onvoltooid verleden tijdPast
Het regende gisteren tijdens de wedstrijd.
It rained yesterday during the match.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Het heeft vannacht flink geregend.
It rained heavily last night.