Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik regel
jij/je regelt
hij/zij/het/u regelt
wij/we regelen
jullie regelen
zij/ze regelen
onvoltooid verleden tijdpast
ik regelde
jij/je regelde
hij/zij/het/u regelde
wij/we regelden
jullie regelden
zij/ze regelden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geregeld
jij/je hebt geregeld
hij/zij/het/u heeft geregeld
wij/we hebben geregeld
jullie hebben geregeld
zij/ze hebben geregeld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geregeld
jij/je had geregeld
hij/zij/het/u had geregeld
wij/we hadden geregeld
jullie hadden geregeld
zij/ze hadden geregeld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal regelen
jij/je zult regelen
hij/zij/het/u zal regelen
wij/we zullen regelen
jullie zullen regelen
zij/ze zullen regelen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geregeld
jij/je zult hebben geregeld
hij/zij/het/u zal hebben geregeld
wij/we zullen hebben geregeld
jullie zullen hebben geregeld
zij/ze zullen hebben geregeld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou regelen
jij/je zou regelen
hij/zij/het/u zou regelen
wij/we zouden regelen
jullie zouden regelen
zij/ze zouden regelen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geregeld
jij/je zou hebben geregeld
hij/zij/het/u zou hebben geregeld
wij/we zouden hebben geregeld
jullie zouden hebben geregeld
zij/ze zouden hebben geregeld
gebiedende wijs: regel
tegenwoordig deelwoord: regelend
voltooid deelwoord: geregeld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Mijn moeder regelt alles voor het feest.
My mother arranges everything for the party.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb al een taxi voor ons geregeld.
I have already arranged a taxi for us.
Gebiedende wijsImperative
Regel snel een afspraak met de tandarts.
Quickly arrange an appointment with the dentist.
Voltooid verleden toekomende tijdConditional perfect
Zonder jouw hulp zou ik het vervoer zelf hebben geregeld.
Without your help, I would have arranged the transport myself.