Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik red
jij/je redt
hij/zij/het/u redt
wij/we redden
jullie redden
zij/ze redden
onvoltooid verleden tijdpast
ik redde
jij/je redde
hij/zij/het/u redde
wij/we redden
jullie redden
zij/ze redden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gered
jij/je hebt gered
hij/zij/het/u heeft gered
wij/we hebben gered
jullie hebben gered
zij/ze hebben gered
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gered
jij/je had gered
hij/zij/het/u had gered
wij/we hadden gered
jullie hadden gered
zij/ze hadden gered
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal redden
jij/je zult redden
hij/zij/het/u zal redden
wij/we zullen redden
jullie zullen redden
zij/ze zullen redden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gered
jij/je zult hebben gered
hij/zij/het/u zal hebben gered
wij/we zullen hebben gered
jullie zullen hebben gered
zij/ze zullen hebben gered
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou redden
jij/je zou redden
hij/zij/het/u zou redden
wij/we zouden redden
jullie zouden redden
zij/ze zouden redden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gered
jij/je zou hebben gered
hij/zij/het/u zou hebben gered
wij/we zouden hebben gered
jullie zouden hebben gered
zij/ze zouden hebben gered
gebiedende wijs: red
tegenwoordig deelwoord: reddend
voltooid deelwoord: gered
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De brandweer redt de kat uit de boom.
The fire brigade rescues the cat from the tree.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij redde het kind uit het water.
He saved the child from the water.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben alle planten van de hitte gered.
We saved all the plants from the heat.
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditional
De brandweer zou de kat uit de boom redden.
The fire brigade would rescue the cat from the tree.