Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik rammel
jij/je rammelt
hij/zij/het/u rammelt
wij/we rammelen
jullie rammelen
zij/ze rammelen
onvoltooid verleden tijdpast
ik rammelde
jij/je rammelde
hij/zij/het/u rammelde
wij/we rammelden
jullie rammelden
zij/ze rammelden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gerammeld
jij/je hebt gerammeld
hij/zij/het/u heeft gerammeld
wij/we hebben gerammeld
jullie hebben gerammeld
zij/ze hebben gerammeld
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gerammeld
jij/je had gerammeld
hij/zij/het/u had gerammeld
wij/we hadden gerammeld
jullie hadden gerammeld
zij/ze hadden gerammeld
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal rammelen
jij/je zult rammelen
hij/zij/het/u zal rammelen
wij/we zullen rammelen
jullie zullen rammelen
zij/ze zullen rammelen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gerammeld
jij/je zult hebben gerammeld
hij/zij/het/u zal hebben gerammeld
wij/we zullen hebben gerammeld
jullie zullen hebben gerammeld
zij/ze zullen hebben gerammeld
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou rammelen
jij/je zou rammelen
hij/zij/het/u zou rammelen
wij/we zouden rammelen
jullie zouden rammelen
zij/ze zouden rammelen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gerammeld
jij/je zou hebben gerammeld
hij/zij/het/u zou hebben gerammeld
wij/we zouden hebben gerammeld
jullie zouden hebben gerammeld
zij/ze zouden hebben gerammeld
gebiedende wijs: rammel
tegenwoordig deelwoord: rammelend
voltooid deelwoord: gerammeld
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De oude deur rammelt bij elke windvlaag.
The old door rattles with every gust of wind.
Onvoltooid verleden tijdPast
De ramen rammelden de hele nacht door de storm.
The windows rattled all night because of the storm.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Mijn fiets heeft de hele weg gerammeld.
My bike rattled the whole way.