Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik praat
jij/je praat
hij/zij/het/u praat
wij/we praten
jullie praten
zij/ze praten
onvoltooid verleden tijdpast
ik praatte
jij/je praatte
hij/zij/het/u praatte
wij/we praatten
jullie praatten
zij/ze praatten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gepraat
jij/je hebt gepraat
hij/zij/het/u heeft gepraat
wij/we hebben gepraat
jullie hebben gepraat
zij/ze hebben gepraat
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gepraat
jij/je had gepraat
hij/zij/het/u had gepraat
wij/we hadden gepraat
jullie hadden gepraat
zij/ze hadden gepraat
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal praten
jij/je zult praten
hij/zij/het/u zal praten
wij/we zullen praten
jullie zullen praten
zij/ze zullen praten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gepraat
jij/je zult hebben gepraat
hij/zij/het/u zal hebben gepraat
wij/we zullen hebben gepraat
jullie zullen hebben gepraat
zij/ze zullen hebben gepraat
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou praten
jij/je zou praten
hij/zij/het/u zou praten
wij/we zouden praten
jullie zouden praten
zij/ze zouden praten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gepraat
jij/je zou hebben gepraat
hij/zij/het/u zou hebben gepraat
wij/we zouden hebben gepraat
jullie zouden hebben gepraat
zij/ze zouden hebben gepraat
gebiedende wijs: praat
tegenwoordig deelwoord: pratend
voltooid deelwoord: gepraat
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Jij praat heel snel aan de telefoon.
You talk very fast on the phone.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij praatten urenlang over onze reisplannen.
We talked for hours about our travel plans.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb gisteren lang met de buurvrouw gepraat.
I had a long talk with the neighbour yesterday.