Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik plaag
jij/je plaagt
hij/zij/het/u plaagt
wij/we plagen
jullie plagen
zij/ze plagen
onvoltooid verleden tijdpast
ik plaagde
jij/je plaagde
hij/zij/het/u plaagde
wij/we plaagden
jullie plaagden
zij/ze plaagden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geplaagd
jij/je hebt geplaagd
hij/zij/het/u heeft geplaagd
wij/we hebben geplaagd
jullie hebben geplaagd
zij/ze hebben geplaagd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geplaagd
jij/je had geplaagd
hij/zij/het/u had geplaagd
wij/we hadden geplaagd
jullie hadden geplaagd
zij/ze hadden geplaagd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal plagen
jij/je zult plagen
hij/zij/het/u zal plagen
wij/we zullen plagen
jullie zullen plagen
zij/ze zullen plagen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geplaagd
jij/je zult hebben geplaagd
hij/zij/het/u zal hebben geplaagd
wij/we zullen hebben geplaagd
jullie zullen hebben geplaagd
zij/ze zullen hebben geplaagd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou plagen
jij/je zou plagen
hij/zij/het/u zou plagen
wij/we zouden plagen
jullie zouden plagen
zij/ze zouden plagen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geplaagd
jij/je zou hebben geplaagd
hij/zij/het/u zou hebben geplaagd
wij/we zouden hebben geplaagd
jullie zouden hebben geplaagd
zij/ze zouden hebben geplaagd
gebiedende wijs: plaag
tegenwoordig deelwoord: plagend
voltooid deelwoord: geplaagd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik plaag mijn broer soms met zijn voetbalclub.
I sometimes tease my brother about his football club.
Onvoltooid verleden tijdPast
Jullie plaagden elkaar de hele middag.
You teased each other all afternoon.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Opa heeft ons vroeger vaak geplaagd met raadsels.
Grandpa often teased us with riddles in the old days.
Onvoltooid verleden toekomende tijdConditional
Mijn broer zou mij altijd plagen met mijn kapsel.
My brother would always tease me about my haircut.