Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik pest
jij/je pest
hij/zij/het/u pest
wij/we pesten
jullie pesten
zij/ze pesten
onvoltooid verleden tijdpast
ik pestte
jij/je pestte
hij/zij/het/u pestte
wij/we pestten
jullie pestten
zij/ze pestten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gepest
jij/je hebt gepest
hij/zij/het/u heeft gepest
wij/we hebben gepest
jullie hebben gepest
zij/ze hebben gepest
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gepest
jij/je had gepest
hij/zij/het/u had gepest
wij/we hadden gepest
jullie hadden gepest
zij/ze hadden gepest
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal pesten
jij/je zult pesten
hij/zij/het/u zal pesten
wij/we zullen pesten
jullie zullen pesten
zij/ze zullen pesten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gepest
jij/je zult hebben gepest
hij/zij/het/u zal hebben gepest
wij/we zullen hebben gepest
jullie zullen hebben gepest
zij/ze zullen hebben gepest
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou pesten
jij/je zou pesten
hij/zij/het/u zou pesten
wij/we zouden pesten
jullie zouden pesten
zij/ze zouden pesten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gepest
jij/je zou hebben gepest
hij/zij/het/u zou hebben gepest
wij/we zouden hebben gepest
jullie zouden hebben gepest
zij/ze zouden hebben gepest
gebiedende wijs: pest
tegenwoordig deelwoord: pestend
voltooid deelwoord: gepest
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Kleine broertjes pesten hun zussen soms.
Little brothers sometimes tease their sisters.
Onvoltooid verleden tijdPast
Vroeger pestte hij zijn broer met flauwe grapjes.
He used to tease his brother with silly jokes.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben de kat nooit gepest.
We have never teased the cat.
Voltooid toekomende tijdFuture perfect
Hij zal zijn broertje vroeger weleens hebben gepest.
He will probably have teased his little brother sometimes in the past.