Dutch Conjugations - PESTEN Hidden OG Image
  polytripper

  


pesten
   
- to bully/tease

weak (zwak) regular aux: hebben


Display tenses in:

Display tenses in:


onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
onvoltooid verleden tijdpast
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect

ik
pest
pestte
heb gepest
jij/je
pest
pestte
hebt gepest
hij/zij/het/u
pest
pestte
heeft gepest
wij/we
pesten
pestten
hebben gepest
jullie
pesten
pestten
hebben gepest
zij/ze
pesten
pestten
hebben gepest

voltooid verleden tijdpast perfect
onvoltooid toekomende tijdfuture
voltooid toekomende tijdfuture perfect

ik
had gepest
zal pesten
zal hebben gepest
jij/je
had gepest
zult pesten
zult hebben gepest
hij/zij/het/u
had gepest
zal pesten
zal hebben gepest
wij/we
hadden gepest
zullen pesten
zullen hebben gepest
jullie
hadden gepest
zullen pesten
zullen hebben gepest
zij/ze
hadden gepest
zullen pesten
zullen hebben gepest

onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect

ik
zou pesten
zou hebben gepest
jij/je
zou pesten
zou hebben gepest
hij/zij/het/u
zou pesten
zou hebben gepest
wij/we
zouden pesten
zouden hebben gepest
jullie
zouden pesten
zouden hebben gepest
zij/ze
zouden pesten
zouden hebben gepest

onvoltooid tegenwoordige tijdpresent

ik pest

jij/je pest

hij/zij/het/u pest

wij/we pesten

jullie pesten

zij/ze pesten


onvoltooid verleden tijdpast

ik pestte

jij/je pestte

hij/zij/het/u pestte

wij/we pestten

jullie pestten

zij/ze pestten


voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect

ik heb gepest

jij/je hebt gepest

hij/zij/het/u heeft gepest

wij/we hebben gepest

jullie hebben gepest

zij/ze hebben gepest


voltooid verleden tijdpast perfect

ik had gepest

jij/je had gepest

hij/zij/het/u had gepest

wij/we hadden gepest

jullie hadden gepest

zij/ze hadden gepest


onvoltooid toekomende tijdfuture

ik zal pesten

jij/je zult pesten

hij/zij/het/u zal pesten

wij/we zullen pesten

jullie zullen pesten

zij/ze zullen pesten


voltooid toekomende tijdfuture perfect

ik zal hebben gepest

jij/je zult hebben gepest

hij/zij/het/u zal hebben gepest

wij/we zullen hebben gepest

jullie zullen hebben gepest

zij/ze zullen hebben gepest


onvoltooid verleden toekomende tijdconditional

ik zou pesten

jij/je zou pesten

hij/zij/het/u zou pesten

wij/we zouden pesten

jullie zouden pesten

zij/ze zouden pesten


voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect

ik zou hebben gepest

jij/je zou hebben gepest

hij/zij/het/u zou hebben gepest

wij/we zouden hebben gepest

jullie zouden hebben gepest

zij/ze zouden hebben gepest



gebiedende wijs: pest

tegenwoordig deelwoord: pestend

voltooid deelwoord: gepest


Example Sentences


Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent

Kleine broertjes pesten hun zussen soms.

Little brothers sometimes tease their sisters.


Onvoltooid verleden tijdPast

Vroeger pestte hij zijn broer met flauwe grapjes.

He used to tease his brother with silly jokes.


Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect

Wij hebben de kat nooit gepest.

We have never teased the cat.


Voltooid toekomende tijdFuture perfect

Hij zal zijn broertje vroeger weleens hebben gepest.

He will probably have teased his little brother sometimes in the past.