Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik parkeer
jij/je parkeert
hij/zij/het/u parkeert
wij/we parkeren
jullie parkeren
zij/ze parkeren
onvoltooid verleden tijdpast
ik parkeerde
jij/je parkeerde
hij/zij/het/u parkeerde
wij/we parkeerden
jullie parkeerden
zij/ze parkeerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geparkeerd
jij/je hebt geparkeerd
hij/zij/het/u heeft geparkeerd
wij/we hebben geparkeerd
jullie hebben geparkeerd
zij/ze hebben geparkeerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geparkeerd
jij/je had geparkeerd
hij/zij/het/u had geparkeerd
wij/we hadden geparkeerd
jullie hadden geparkeerd
zij/ze hadden geparkeerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal parkeren
jij/je zult parkeren
hij/zij/het/u zal parkeren
wij/we zullen parkeren
jullie zullen parkeren
zij/ze zullen parkeren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geparkeerd
jij/je zult hebben geparkeerd
hij/zij/het/u zal hebben geparkeerd
wij/we zullen hebben geparkeerd
jullie zullen hebben geparkeerd
zij/ze zullen hebben geparkeerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou parkeren
jij/je zou parkeren
hij/zij/het/u zou parkeren
wij/we zouden parkeren
jullie zouden parkeren
zij/ze zouden parkeren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geparkeerd
jij/je zou hebben geparkeerd
hij/zij/het/u zou hebben geparkeerd
wij/we zouden hebben geparkeerd
jullie zouden hebben geparkeerd
zij/ze zouden hebben geparkeerd
gebiedende wijs: parkeer
tegenwoordig deelwoord: parkerend
voltooid deelwoord: geparkeerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij parkeren de auto meestal achter het huis.
We usually park the car behind the house.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij parkeerde de camper vlak bij het strand.
He parked the camper right by the beach.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb de auto in de garage geparkeerd.
I have parked the car in the garage.