Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik pak
jij/je pakt
hij/zij/het/u pakt
wij/we pakken
jullie pakken
zij/ze pakken
onvoltooid verleden tijdpast
ik pakte
jij/je pakte
hij/zij/het/u pakte
wij/we pakten
jullie pakten
zij/ze pakten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gepakt
jij/je hebt gepakt
hij/zij/het/u heeft gepakt
wij/we hebben gepakt
jullie hebben gepakt
zij/ze hebben gepakt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gepakt
jij/je had gepakt
hij/zij/het/u had gepakt
wij/we hadden gepakt
jullie hadden gepakt
zij/ze hadden gepakt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal pakken
jij/je zult pakken
hij/zij/het/u zal pakken
wij/we zullen pakken
jullie zullen pakken
zij/ze zullen pakken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gepakt
jij/je zult hebben gepakt
hij/zij/het/u zal hebben gepakt
wij/we zullen hebben gepakt
jullie zullen hebben gepakt
zij/ze zullen hebben gepakt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou pakken
jij/je zou pakken
hij/zij/het/u zou pakken
wij/we zouden pakken
jullie zouden pakken
zij/ze zouden pakken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gepakt
jij/je zou hebben gepakt
hij/zij/het/u zou hebben gepakt
wij/we zouden hebben gepakt
jullie zouden hebben gepakt
zij/ze zouden hebben gepakt
gebiedende wijs: pak
tegenwoordig deelwoord: pakkend
voltooid deelwoord: gepakt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik pak even mijn jas van de kapstok.
I am just grabbing my coat from the rack.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Jij hebt de laatste koek gepakt!
You took the last cookie!
Gebiedende wijsImperative
Pak maar een stoel uit de keuken.
Just grab a chair from the kitchen.