Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik haal op
jij/je haalt op
hij/zij/het/u haalt op
wij/we halen op
jullie halen op
zij/ze halen op
onvoltooid verleden tijdpast
ik haalde op
jij/je haalde op
hij/zij/het/u haalde op
wij/we haalden op
jullie haalden op
zij/ze haalden op
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb opgehaald
jij/je hebt opgehaald
hij/zij/het/u heeft opgehaald
wij/we hebben opgehaald
jullie hebben opgehaald
zij/ze hebben opgehaald
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had opgehaald
jij/je had opgehaald
hij/zij/het/u had opgehaald
wij/we hadden opgehaald
jullie hadden opgehaald
zij/ze hadden opgehaald
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal ophalen
jij/je zult ophalen
hij/zij/het/u zal ophalen
wij/we zullen ophalen
jullie zullen ophalen
zij/ze zullen ophalen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben opgehaald
jij/je zult hebben opgehaald
hij/zij/het/u zal hebben opgehaald
wij/we zullen hebben opgehaald
jullie zullen hebben opgehaald
zij/ze zullen hebben opgehaald
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou ophalen
jij/je zou ophalen
hij/zij/het/u zou ophalen
wij/we zouden ophalen
jullie zouden ophalen
zij/ze zouden ophalen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben opgehaald
jij/je zou hebben opgehaald
hij/zij/het/u zou hebben opgehaald
wij/we zouden hebben opgehaald
jullie zouden hebben opgehaald
zij/ze zouden hebben opgehaald
gebiedende wijs: haal op
tegenwoordig deelwoord: ophalend
voltooid deelwoord: opgehaald
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Hij haalt de kinderen elke dag van school op.
He picks up the children from school every day.
Onvoltooid verleden tijdPast
Ik haalde gisteren een pakketje bij de buren op.
I picked up a parcel at the neighbours' yesterday.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Wij zullen je om acht uur van het station ophalen.
We will pick you up from the station at eight.