Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik ontsla
jij/je ontslaat
hij/zij/het/u ontslaat
wij/we ontslaan
jullie ontslaan
zij/ze ontslaan
onvoltooid verleden tijdpast
ik ontsloeg
jij/je ontsloeg
hij/zij/het/u ontsloeg
wij/we ontslagen
jullie ontslagen
zij/ze ontslagen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb ontslagen
jij/je hebt ontslagen
hij/zij/het/u heeft ontslagen
wij/we hebben ontslagen
jullie hebben ontslagen
zij/ze hebben ontslagen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had ontslagen
jij/je had ontslagen
hij/zij/het/u had ontslagen
wij/we hadden ontslagen
jullie hadden ontslagen
zij/ze hadden ontslagen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal ontslaan
jij/je zult ontslaan
hij/zij/het/u zal ontslaan
wij/we zullen ontslaan
jullie zullen ontslaan
zij/ze zullen ontslaan
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben ontslagen
jij/je zult hebben ontslagen
hij/zij/het/u zal hebben ontslagen
wij/we zullen hebben ontslagen
jullie zullen hebben ontslagen
zij/ze zullen hebben ontslagen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou ontslaan
jij/je zou ontslaan
hij/zij/het/u zou ontslaan
wij/we zouden ontslaan
jullie zouden ontslaan
zij/ze zouden ontslaan
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben ontslagen
jij/je zou hebben ontslagen
hij/zij/het/u zou hebben ontslagen
wij/we zouden hebben ontslagen
jullie zouden hebben ontslagen
zij/ze zouden hebben ontslagen
gebiedende wijs: ontsla
tegenwoordig deelwoord: ontslaand
voltooid deelwoord: ontslagen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Het bedrijf ontslaat dit jaar geen medewerkers.
The company is not dismissing any employees this year.
Onvoltooid verleden tijdPast
De baas ontsloeg de kok na drie waarschuwingen.
The boss fired the cook after three warnings.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De fabriek heeft vorige maand tien mensen ontslagen.
The factory dismissed ten people last month.