Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik neem
jij/je neemt
hij/zij/het/u neemt
wij/we nemen
jullie nemen
zij/ze nemen
onvoltooid verleden tijdpast
ik nam
jij/je nam
hij/zij/het/u nam
wij/we namen
jullie namen
zij/ze namen
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb genomen
jij/je hebt genomen
hij/zij/het/u heeft genomen
wij/we hebben genomen
jullie hebben genomen
zij/ze hebben genomen
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had genomen
jij/je had genomen
hij/zij/het/u had genomen
wij/we hadden genomen
jullie hadden genomen
zij/ze hadden genomen
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal nemen
jij/je zult nemen
hij/zij/het/u zal nemen
wij/we zullen nemen
jullie zullen nemen
zij/ze zullen nemen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben genomen
jij/je zult hebben genomen
hij/zij/het/u zal hebben genomen
wij/we zullen hebben genomen
jullie zullen hebben genomen
zij/ze zullen hebben genomen
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou nemen
jij/je zou nemen
hij/zij/het/u zou nemen
wij/we zouden nemen
jullie zouden nemen
zij/ze zouden nemen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben genomen
jij/je zou hebben genomen
hij/zij/het/u zou hebben genomen
wij/we zouden hebben genomen
jullie zouden hebben genomen
zij/ze zouden hebben genomen
gebiedende wijs: neem
tegenwoordig deelwoord: nemend
voltooid deelwoord: genomen
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik neem elke ochtend de bus naar het werk.
I take the bus to work every morning.
Onvoltooid verleden tijdPast
Wij namen vorig jaar de trein naar Parijs.
We took the train to Paris last year.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij heeft een dag vrij genomen.
He has taken a day off.