Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik zet neer
jij/je zet neer
hij/zij/het/u zet neer
wij/we zetten neer
jullie zetten neer
zij/ze zetten neer
onvoltooid verleden tijdpast
ik zette neer
jij/je zette neer
hij/zij/het/u zette neer
wij/we zetten neer
jullie zetten neer
zij/ze zetten neer
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb neergezet
jij/je hebt neergezet
hij/zij/het/u heeft neergezet
wij/we hebben neergezet
jullie hebben neergezet
zij/ze hebben neergezet
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had neergezet
jij/je had neergezet
hij/zij/het/u had neergezet
wij/we hadden neergezet
jullie hadden neergezet
zij/ze hadden neergezet
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal neerzetten
jij/je zult neerzetten
hij/zij/het/u zal neerzetten
wij/we zullen neerzetten
jullie zullen neerzetten
zij/ze zullen neerzetten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben neergezet
jij/je zult hebben neergezet
hij/zij/het/u zal hebben neergezet
wij/we zullen hebben neergezet
jullie zullen hebben neergezet
zij/ze zullen hebben neergezet
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou neerzetten
jij/je zou neerzetten
hij/zij/het/u zou neerzetten
wij/we zouden neerzetten
jullie zouden neerzetten
zij/ze zouden neerzetten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben neergezet
jij/je zou hebben neergezet
hij/zij/het/u zou hebben neergezet
wij/we zouden hebben neergezet
jullie zouden hebben neergezet
zij/ze zouden hebben neergezet
gebiedende wijs: zet neer
tegenwoordig deelwoord: neerzettend
voltooid deelwoord: neergezet
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Jij zet de boodschappen altijd bij de deur neer.
You always put the groceries down by the door.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Oma heeft de vaas op de vensterbank neergezet.
Grandma has put the vase on the windowsill.
Gebiedende wijsImperative
Zet de zware tas maar even neer.
Just put the heavy bag down for a moment.