Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik stort neer
jij/je stort neer
hij/zij/het/u stort neer
wij/we storten neer
jullie storten neer
zij/ze storten neer
onvoltooid verleden tijdpast
ik stortte neer
jij/je stortte neer
hij/zij/het/u stortte neer
wij/we stortten neer
jullie stortten neer
zij/ze stortten neer
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik ben neergestort
jij/je bent neergestort
hij/zij/het/u is neergestort
wij/we zijn neergestort
jullie zijn neergestort
zij/ze zijn neergestort
voltooid verleden tijdpast perfect
ik was neergestort
jij/je was neergestort
hij/zij/het/u was neergestort
wij/we waren neergestort
jullie waren neergestort
zij/ze waren neergestort
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal neerstorten
jij/je zult neerstorten
hij/zij/het/u zal neerstorten
wij/we zullen neerstorten
jullie zullen neerstorten
zij/ze zullen neerstorten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal zijn neergestort
jij/je zult zijn neergestort
hij/zij/het/u zal zijn neergestort
wij/we zullen zijn neergestort
jullie zullen zijn neergestort
zij/ze zullen zijn neergestort
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou neerstorten
jij/je zou neerstorten
hij/zij/het/u zou neerstorten
wij/we zouden neerstorten
jullie zouden neerstorten
zij/ze zouden neerstorten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou zijn neergestort
jij/je zou zijn neergestort
hij/zij/het/u zou zijn neergestort
wij/we zouden zijn neergestort
jullie zouden zijn neergestort
zij/ze zouden zijn neergestort
gebiedende wijs: stort neer
tegenwoordig deelwoord: neerstortend
voltooid deelwoord: neergestort
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
In de film stort het vliegtuig in zee neer.
In the movie the plane crashes into the sea.
Onvoltooid verleden tijdPast
De drone stortte gisteren in het park neer.
The drone crashed in the park yesterday.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Mijn drone is vlak voor het huis neergestort.
My drone crashed right in front of the house.