Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik schiet neer
jij/je schiet neer
hij/zij/het/u schiet neer
wij/we schieten neer
jullie schieten neer
zij/ze schieten neer
onvoltooid verleden tijdpast
ik schoot neer
jij/je schoot neer
hij/zij/het/u schoot neer
wij/we schoten neer
jullie schoten neer
zij/ze schoten neer
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb neergeschoten
jij/je hebt neergeschoten
hij/zij/het/u heeft neergeschoten
wij/we hebben neergeschoten
jullie hebben neergeschoten
zij/ze hebben neergeschoten
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had neergeschoten
jij/je had neergeschoten
hij/zij/het/u had neergeschoten
wij/we hadden neergeschoten
jullie hadden neergeschoten
zij/ze hadden neergeschoten
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal neerschieten
jij/je zult neerschieten
hij/zij/het/u zal neerschieten
wij/we zullen neerschieten
jullie zullen neerschieten
zij/ze zullen neerschieten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben neergeschoten
jij/je zult hebben neergeschoten
hij/zij/het/u zal hebben neergeschoten
wij/we zullen hebben neergeschoten
jullie zullen hebben neergeschoten
zij/ze zullen hebben neergeschoten
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou neerschieten
jij/je zou neerschieten
hij/zij/het/u zou neerschieten
wij/we zouden neerschieten
jullie zouden neerschieten
zij/ze zouden neerschieten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben neergeschoten
jij/je zou hebben neergeschoten
hij/zij/het/u zou hebben neergeschoten
wij/we zouden hebben neergeschoten
jullie zouden hebben neergeschoten
zij/ze zouden hebben neergeschoten
gebiedende wijs: schiet neer
tegenwoordig deelwoord: neerschietend
voltooid deelwoord: neergeschoten
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
In het computerspel schiet hij vijandelijke vliegtuigen neer.
In the computer game he shoots down enemy planes.
Onvoltooid verleden tijdPast
De kinderen schoten de ballonnen op de kermis neer.
The children shot down the balloons at the fair.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb in het spel drie draken neergeschoten.
I shot down three dragons in the game.