Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik maak na
jij/je maakt na
hij/zij/het/u maakt na
wij/we maken na
jullie maken na
zij/ze maken na
onvoltooid verleden tijdpast
ik maakte na
jij/je maakte na
hij/zij/het/u maakte na
wij/we maakten na
jullie maakten na
zij/ze maakten na
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb nagemaakt
jij/je hebt nagemaakt
hij/zij/het/u heeft nagemaakt
wij/we hebben nagemaakt
jullie hebben nagemaakt
zij/ze hebben nagemaakt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had nagemaakt
jij/je had nagemaakt
hij/zij/het/u had nagemaakt
wij/we hadden nagemaakt
jullie hadden nagemaakt
zij/ze hadden nagemaakt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal namaken
jij/je zult namaken
hij/zij/het/u zal namaken
wij/we zullen namaken
jullie zullen namaken
zij/ze zullen namaken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben nagemaakt
jij/je zult hebben nagemaakt
hij/zij/het/u zal hebben nagemaakt
wij/we zullen hebben nagemaakt
jullie zullen hebben nagemaakt
zij/ze zullen hebben nagemaakt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou namaken
jij/je zou namaken
hij/zij/het/u zou namaken
wij/we zouden namaken
jullie zouden namaken
zij/ze zouden namaken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben nagemaakt
jij/je zou hebben nagemaakt
hij/zij/het/u zou hebben nagemaakt
wij/we zouden hebben nagemaakt
jullie zouden hebben nagemaakt
zij/ze zouden hebben nagemaakt
gebiedende wijs: maak na
tegenwoordig deelwoord: namakend
voltooid deelwoord: nagemakt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De kinderen maken de dans van de juf na.
The children imitate the teacher's dance.
Onvoltooid verleden tijdPast
De papegaai maakte mijn stem perfect na.
The parrot imitated my voice perfectly.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb het recept van oma precies nagemaakt.
I copied grandma's recipe exactly.
Voltooid toekomende tijdFuture perfect
De kunstenaar zal dat beroemde schilderij hebben nagemaakt.
The artist will have copied that famous painting.