Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik mijd
jij/je mijdt
hij/zij/het/u mijdt
wij/we mijden
jullie mijden
zij/ze mijden
onvoltooid verleden tijdpast
ik meed
jij/je meed
hij/zij/het/u meed
wij/we meden
jullie meden
zij/ze meden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gemeden
jij/je hebt gemeden
hij/zij/het/u heeft gemeden
wij/we hebben gemeden
jullie hebben gemeden
zij/ze hebben gemeden
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gemeden
jij/je had gemeden
hij/zij/het/u had gemeden
wij/we hadden gemeden
jullie hadden gemeden
zij/ze hadden gemeden
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal mijden
jij/je zult mijden
hij/zij/het/u zal mijden
wij/we zullen mijden
jullie zullen mijden
zij/ze zullen mijden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gemeden
jij/je zult hebben gemeden
hij/zij/het/u zal hebben gemeden
wij/we zullen hebben gemeden
jullie zullen hebben gemeden
zij/ze zullen hebben gemeden
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou mijden
jij/je zou mijden
hij/zij/het/u zou mijden
wij/we zouden mijden
jullie zouden mijden
zij/ze zouden mijden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gemeden
jij/je zou hebben gemeden
hij/zij/het/u zou hebben gemeden
wij/we zouden hebben gemeden
jullie zouden hebben gemeden
zij/ze zouden hebben gemeden
gebiedende wijs: mijd
tegenwoordig deelwoord: mijdend
voltooid deelwoord: gemeden
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik mijd de snelweg tijdens de spits.
I avoid the highway during rush hour.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij meed vroeger drukke feestjes.
She used to avoid busy parties.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Wij zullen zaterdag het centrum mijden.
We will avoid the city centre on Saturday.
Voltooid verleden tijdPast perfect
Hij had de drukke snelweg bewust gemeden.
He had deliberately avoided the busy motorway.