Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik meen
jij/je meent
hij/zij/het/u meent
wij/we menen
jullie menen
zij/ze menen
onvoltooid verleden tijdpast
ik meende
jij/je meende
hij/zij/het/u meende
wij/we meenden
jullie meenden
zij/ze meenden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gemeend
jij/je hebt gemeend
hij/zij/het/u heeft gemeend
wij/we hebben gemeend
jullie hebben gemeend
zij/ze hebben gemeend
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gemeend
jij/je had gemeend
hij/zij/het/u had gemeend
wij/we hadden gemeend
jullie hadden gemeend
zij/ze hadden gemeend
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal menen
jij/je zult menen
hij/zij/het/u zal menen
wij/we zullen menen
jullie zullen menen
zij/ze zullen menen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gemeend
jij/je zult hebben gemeend
hij/zij/het/u zal hebben gemeend
wij/we zullen hebben gemeend
jullie zullen hebben gemeend
zij/ze zullen hebben gemeend
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou menen
jij/je zou menen
hij/zij/het/u zou menen
wij/we zouden menen
jullie zouden menen
zij/ze zouden menen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gemeend
jij/je zou hebben gemeend
hij/zij/het/u zou hebben gemeend
wij/we zouden hebben gemeend
jullie zouden hebben gemeend
zij/ze zouden hebben gemeend
gebiedende wijs: meen
tegenwoordig deelwoord: menend
voltooid deelwoord: gemeend
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik meen elk woord van dit compliment.
I mean every word of this compliment.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij meende het echt niet kwaad.
He really meant no harm.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Zij heeft het altijd goed met ons gemeend.
She has always meant well with us.
Voltooid toekomende tijdFuture perfect
Hij zal het vast goed hebben gemeend met zijn advies.
He will surely have meant well with his advice.