Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik luier
jij/je luiert
hij/zij/het/u luiert
wij/we luieren
jullie luieren
zij/ze luieren
onvoltooid verleden tijdpast
ik luierde
jij/je luierde
hij/zij/het/u luierde
wij/we luierden
jullie luierden
zij/ze luierden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geluierd
jij/je hebt geluierd
hij/zij/het/u heeft geluierd
wij/we hebben geluierd
jullie hebben geluierd
zij/ze hebben geluierd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geluierd
jij/je had geluierd
hij/zij/het/u had geluierd
wij/we hadden geluierd
jullie hadden geluierd
zij/ze hadden geluierd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal luieren
jij/je zult luieren
hij/zij/het/u zal luieren
wij/we zullen luieren
jullie zullen luieren
zij/ze zullen luieren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geluierd
jij/je zult hebben geluierd
hij/zij/het/u zal hebben geluierd
wij/we zullen hebben geluierd
jullie zullen hebben geluierd
zij/ze zullen hebben geluierd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou luieren
jij/je zou luieren
hij/zij/het/u zou luieren
wij/we zouden luieren
jullie zouden luieren
zij/ze zouden luieren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geluierd
jij/je zou hebben geluierd
hij/zij/het/u zou hebben geluierd
wij/we zouden hebben geluierd
jullie zouden hebben geluierd
zij/ze zouden hebben geluierd
gebiedende wijs: luier
tegenwoordig deelwoord: luierend
voltooid deelwoord: geluierd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij luieren zaterdag lekker in de tuin.
On Saturday we laze around nicely in the garden.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij luierde de hele vakantie op het strand.
He lazed on the beach the whole holiday.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Ik zal zondag gewoon op de bank luieren.
On Sunday I will just laze on the couch.
Voltooid verleden tijdPast perfect
Wij hadden de hele zondag op de bank geluierd.
We had lazed on the couch all Sunday.