Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik luid
jij/je luidt
hij/zij/het/u luidt
wij/we luiden
jullie luiden
zij/ze luiden
onvoltooid verleden tijdpast
ik luidde
jij/je luidde
hij/zij/het/u luidde
wij/we luidden
jullie luidden
zij/ze luidden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geluid
jij/je hebt geluid
hij/zij/het/u heeft geluid
wij/we hebben geluid
jullie hebben geluid
zij/ze hebben geluid
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geluid
jij/je had geluid
hij/zij/het/u had geluid
wij/we hadden geluid
jullie hadden geluid
zij/ze hadden geluid
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal luiden
jij/je zult luiden
hij/zij/het/u zal luiden
wij/we zullen luiden
jullie zullen luiden
zij/ze zullen luiden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geluid
jij/je zult hebben geluid
hij/zij/het/u zal hebben geluid
wij/we zullen hebben geluid
jullie zullen hebben geluid
zij/ze zullen hebben geluid
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou luiden
jij/je zou luiden
hij/zij/het/u zou luiden
wij/we zouden luiden
jullie zouden luiden
zij/ze zouden luiden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geluid
jij/je zou hebben geluid
hij/zij/het/u zou hebben geluid
wij/we zouden hebben geluid
jullie zouden hebben geluid
zij/ze zouden hebben geluid
gebiedende wijs: luid
tegenwoordig deelwoord: luidend
voltooid deelwoord: geluid
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De klokken luiden elke zondagochtend.
The bells ring every Sunday morning.
Onvoltooid verleden tijdPast
De kerkklok luidde precies om twaalf uur.
The church bell rang exactly at twelve.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
De klokken hebben de hele middag geluid.
The bells rang all afternoon.