Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik laat los
jij/je laat los
hij/zij/het/u laat los
wij/we laten los
jullie laten los
zij/ze laten los
onvoltooid verleden tijdpast
ik liet los
jij/je liet los
hij/zij/het/u liet los
wij/we lieten los
jullie lieten los
zij/ze lieten los
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb losgelaten
jij/je hebt losgelaten
hij/zij/het/u heeft losgelaten
wij/we hebben losgelaten
jullie hebben losgelaten
zij/ze hebben losgelaten
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had losgelaten
jij/je had losgelaten
hij/zij/het/u had losgelaten
wij/we hadden losgelaten
jullie hadden losgelaten
zij/ze hadden losgelaten
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal loslaten
jij/je zult loslaten
hij/zij/het/u zal loslaten
wij/we zullen loslaten
jullie zullen loslaten
zij/ze zullen loslaten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben losgelaten
jij/je zult hebben losgelaten
hij/zij/het/u zal hebben losgelaten
wij/we zullen hebben losgelaten
jullie zullen hebben losgelaten
zij/ze zullen hebben losgelaten
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou loslaten
jij/je zou loslaten
hij/zij/het/u zou loslaten
wij/we zouden loslaten
jullie zouden loslaten
zij/ze zouden loslaten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben losgelaten
jij/je zou hebben losgelaten
hij/zij/het/u zou hebben losgelaten
wij/we zouden hebben losgelaten
jullie zouden hebben losgelaten
zij/ze zouden hebben losgelaten
gebiedende wijs: laat los
tegenwoordig deelwoord: loslatend
voltooid deelwoord: losgelaten
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik laat de hond in het park los.
I let the dog loose in the park.
Onvoltooid verleden tijdPast
Het kind liet de ballon per ongeluk los.
The child accidentally let go of the balloon.
Gebiedende wijsImperative
Laat het touw nu los!
Let go of the rope now!