Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik lok
jij/je lokt
hij/zij/het/u lokt
wij/we lokken
jullie lokken
zij/ze lokken
onvoltooid verleden tijdpast
ik lokte
jij/je lokte
hij/zij/het/u lokte
wij/we lokten
jullie lokten
zij/ze lokten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gelokt
jij/je hebt gelokt
hij/zij/het/u heeft gelokt
wij/we hebben gelokt
jullie hebben gelokt
zij/ze hebben gelokt
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gelokt
jij/je had gelokt
hij/zij/het/u had gelokt
wij/we hadden gelokt
jullie hadden gelokt
zij/ze hadden gelokt
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal lokken
jij/je zult lokken
hij/zij/het/u zal lokken
wij/we zullen lokken
jullie zullen lokken
zij/ze zullen lokken
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gelokt
jij/je zult hebben gelokt
hij/zij/het/u zal hebben gelokt
wij/we zullen hebben gelokt
jullie zullen hebben gelokt
zij/ze zullen hebben gelokt
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou lokken
jij/je zou lokken
hij/zij/het/u zou lokken
wij/we zouden lokken
jullie zouden lokken
zij/ze zouden lokken
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gelokt
jij/je zou hebben gelokt
hij/zij/het/u zou hebben gelokt
wij/we zouden hebben gelokt
jullie zouden hebben gelokt
zij/ze zouden hebben gelokt
gebiedende wijs: lok
tegenwoordig deelwoord: lokkend
voltooid deelwoord: gelokt
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
De bakker lokt klanten met verse croissants.
The baker attracts customers with fresh croissants.
Onvoltooid verleden tijdPast
Het mooie weer lokte veel mensen naar het park.
The nice weather drew many people to the park.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben de kat met wat vis naar binnen gelokt.
We lured the cat inside with some fish.