Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik lijd
jij/je lijdt
hij/zij/het/u lijdt
wij/we lijden
jullie lijden
zij/ze lijden
onvoltooid verleden tijdpast
ik leed
jij/je leed
hij/zij/het/u leed
wij/we leden
jullie leden
zij/ze leden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geleden
jij/je hebt geleden
hij/zij/het/u heeft geleden
wij/we hebben geleden
jullie hebben geleden
zij/ze hebben geleden
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geleden
jij/je had geleden
hij/zij/het/u had geleden
wij/we hadden geleden
jullie hadden geleden
zij/ze hadden geleden
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal lijden
jij/je zult lijden
hij/zij/het/u zal lijden
wij/we zullen lijden
jullie zullen lijden
zij/ze zullen lijden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geleden
jij/je zult hebben geleden
hij/zij/het/u zal hebben geleden
wij/we zullen hebben geleden
jullie zullen hebben geleden
zij/ze zullen hebben geleden
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou lijden
jij/je zou lijden
hij/zij/het/u zou lijden
wij/we zouden lijden
jullie zouden lijden
zij/ze zouden lijden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geleden
jij/je zou hebben geleden
hij/zij/het/u zou hebben geleden
wij/we zouden hebben geleden
jullie zouden hebben geleden
zij/ze zouden hebben geleden
gebiedende wijs: lijd
tegenwoordig deelwoord: lijdend
voltooid deelwoord: geleden
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Veel mensen lijden in mei aan hooikoorts.
Many people suffer from hay fever in May.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij leed vorig jaar aan slapeloosheid.
He suffered from insomnia last year.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Zij heeft vorige winter erg onder de kou geleden.
She really suffered from the cold last winter.