Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik leun
jij/je leunt
hij/zij/het/u leunt
wij/we leunen
jullie leunen
zij/ze leunen
onvoltooid verleden tijdpast
ik leunde
jij/je leunde
hij/zij/het/u leunde
wij/we leunden
jullie leunden
zij/ze leunden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geleund
jij/je hebt geleund
hij/zij/het/u heeft geleund
wij/we hebben geleund
jullie hebben geleund
zij/ze hebben geleund
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geleund
jij/je had geleund
hij/zij/het/u had geleund
wij/we hadden geleund
jullie hadden geleund
zij/ze hadden geleund
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal leunen
jij/je zult leunen
hij/zij/het/u zal leunen
wij/we zullen leunen
jullie zullen leunen
zij/ze zullen leunen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geleund
jij/je zult hebben geleund
hij/zij/het/u zal hebben geleund
wij/we zullen hebben geleund
jullie zullen hebben geleund
zij/ze zullen hebben geleund
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou leunen
jij/je zou leunen
hij/zij/het/u zou leunen
wij/we zouden leunen
jullie zouden leunen
zij/ze zouden leunen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geleund
jij/je zou hebben geleund
hij/zij/het/u zou hebben geleund
wij/we zouden hebben geleund
jullie zouden hebben geleund
zij/ze zouden hebben geleund
gebiedende wijs: leun
tegenwoordig deelwoord: leunend
voltooid deelwoord: geleund
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Hij leunt ontspannen tegen de deurpost.
He leans casually against the doorpost.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij leunde moe tegen het raam van de trein.
She leaned tiredly against the train window.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Ik heb te lang op mijn elleboog geleund.
I leaned on my elbow for too long.