Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik leer
jij/je leert
hij/zij/het/u leert
wij/we leren
jullie leren
zij/ze leren
onvoltooid verleden tijdpast
ik leerde
jij/je leerde
hij/zij/het/u leerde
wij/we leerden
jullie leerden
zij/ze leerden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geleerd
jij/je hebt geleerd
hij/zij/het/u heeft geleerd
wij/we hebben geleerd
jullie hebben geleerd
zij/ze hebben geleerd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geleerd
jij/je had geleerd
hij/zij/het/u had geleerd
wij/we hadden geleerd
jullie hadden geleerd
zij/ze hadden geleerd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal leren
jij/je zult leren
hij/zij/het/u zal leren
wij/we zullen leren
jullie zullen leren
zij/ze zullen leren
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geleerd
jij/je zult hebben geleerd
hij/zij/het/u zal hebben geleerd
wij/we zullen hebben geleerd
jullie zullen hebben geleerd
zij/ze zullen hebben geleerd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou leren
jij/je zou leren
hij/zij/het/u zou leren
wij/we zouden leren
jullie zouden leren
zij/ze zouden leren
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geleerd
jij/je zou hebben geleerd
hij/zij/het/u zou hebben geleerd
wij/we zouden hebben geleerd
jullie zouden hebben geleerd
zij/ze zouden hebben geleerd
gebiedende wijs: leer
tegenwoordig deelwoord: lerend
voltooid deelwoord: geleerd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Wij leren Nederlands op maandagavond.
We learn Dutch on Monday evenings.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij leerde vorig jaar zwemmen.
She learned to swim last year.
Onvoltooid toekomende tijdFuture
Ik zal deze week de nieuwe woorden leren.
I will learn the new words this week.