Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik leen
jij/je leent
hij/zij/het/u leent
wij/we lenen
jullie lenen
zij/ze lenen
onvoltooid verleden tijdpast
ik leende
jij/je leende
hij/zij/het/u leende
wij/we leenden
jullie leenden
zij/ze leenden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geleend
jij/je hebt geleend
hij/zij/het/u heeft geleend
wij/we hebben geleend
jullie hebben geleend
zij/ze hebben geleend
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geleend
jij/je had geleend
hij/zij/het/u had geleend
wij/we hadden geleend
jullie hadden geleend
zij/ze hadden geleend
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal lenen
jij/je zult lenen
hij/zij/het/u zal lenen
wij/we zullen lenen
jullie zullen lenen
zij/ze zullen lenen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geleend
jij/je zult hebben geleend
hij/zij/het/u zal hebben geleend
wij/we zullen hebben geleend
jullie zullen hebben geleend
zij/ze zullen hebben geleend
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou lenen
jij/je zou lenen
hij/zij/het/u zou lenen
wij/we zouden lenen
jullie zouden lenen
zij/ze zouden lenen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geleend
jij/je zou hebben geleend
hij/zij/het/u zou hebben geleend
wij/we zouden hebben geleend
jullie zouden hebben geleend
zij/ze zouden hebben geleend
gebiedende wijs: leen
tegenwoordig deelwoord: lenend
voltooid deelwoord: geleend
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik leen een boek bij de bibliotheek.
I borrow a book from the library.
Onvoltooid verleden tijdPast
Hij leende mijn fiets voor een dag.
He borrowed my bike for a day.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben geld geleend voor het huis.
We borrowed money for the house.
Voltooid verleden toekomende tijdConditional perfect
Zonder mijn spaargeld zou ik geld van mijn ouders hebben geleend.
Without my savings, I would have borrowed money from my parents.