Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik leid
jij/je leidt
hij/zij/het/u leidt
wij/we leiden
jullie leiden
zij/ze leiden
onvoltooid verleden tijdpast
ik leidde
jij/je leidde
hij/zij/het/u leidde
wij/we leidden
jullie leidden
zij/ze leidden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb geleid
jij/je hebt geleid
hij/zij/het/u heeft geleid
wij/we hebben geleid
jullie hebben geleid
zij/ze hebben geleid
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had geleid
jij/je had geleid
hij/zij/het/u had geleid
wij/we hadden geleid
jullie hadden geleid
zij/ze hadden geleid
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal leiden
jij/je zult leiden
hij/zij/het/u zal leiden
wij/we zullen leiden
jullie zullen leiden
zij/ze zullen leiden
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben geleid
jij/je zult hebben geleid
hij/zij/het/u zal hebben geleid
wij/we zullen hebben geleid
jullie zullen hebben geleid
zij/ze zullen hebben geleid
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou leiden
jij/je zou leiden
hij/zij/het/u zou leiden
wij/we zouden leiden
jullie zouden leiden
zij/ze zouden leiden
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben geleid
jij/je zou hebben geleid
hij/zij/het/u zou hebben geleid
wij/we zouden hebben geleid
jullie zouden hebben geleid
zij/ze zouden hebben geleid
gebiedende wijs: leid
tegenwoordig deelwoord: leidend
voltooid deelwoord: geleid
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Zij leidt een klein team op kantoor.
She leads a small team at the office.
Onvoltooid verleden tijdPast
De gids leidde ons door het oude centrum.
The guide led us through the old city centre.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij heeft jarenlang het koor geleid.
He led the choir for many years.