Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik leg
jij/je legt
hij/zij/het/u legt
wij/we leggen
jullie leggen
zij/ze leggen
onvoltooid verleden tijdpast
ik legde
jij/je legde
hij/zij/het/u legde
wij/we legden
jullie legden
zij/ze legden
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gelegd
jij/je hebt gelegd
hij/zij/het/u heeft gelegd
wij/we hebben gelegd
jullie hebben gelegd
zij/ze hebben gelegd
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gelegd
jij/je had gelegd
hij/zij/het/u had gelegd
wij/we hadden gelegd
jullie hadden gelegd
zij/ze hadden gelegd
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal leggen
jij/je zult leggen
hij/zij/het/u zal leggen
wij/we zullen leggen
jullie zullen leggen
zij/ze zullen leggen
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gelegd
jij/je zult hebben gelegd
hij/zij/het/u zal hebben gelegd
wij/we zullen hebben gelegd
jullie zullen hebben gelegd
zij/ze zullen hebben gelegd
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou leggen
jij/je zou leggen
hij/zij/het/u zou leggen
wij/we zouden leggen
jullie zouden leggen
zij/ze zouden leggen
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gelegd
jij/je zou hebben gelegd
hij/zij/het/u zou hebben gelegd
wij/we zouden hebben gelegd
jullie zouden hebben gelegd
zij/ze zouden hebben gelegd
gebiedende wijs: leg
tegenwoordig deelwoord: leggend
voltooid deelwoord: gelegd
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik leg mijn sleutels altijd op het tafeltje.
I always put my keys on the little table.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij legde de baby zachtjes in het wiegje.
She gently laid the baby in the crib.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Hij heeft de handdoeken op het bed gelegd.
He put the towels on the bed.