Display tenses in:
Display tenses in:
onvoltooid tegenwoordige tijdpresent
ik laat
jij/je laat
hij/zij/het/u laat
wij/we laten
jullie laten
zij/ze laten
onvoltooid verleden tijdpast
ik liet
jij/je liet
hij/zij/het/u liet
wij/we lieten
jullie lieten
zij/ze lieten
voltooid tegenwoordige tijdpresent perfect
ik heb gelaten
jij/je hebt gelaten
hij/zij/het/u heeft gelaten
wij/we hebben gelaten
jullie hebben gelaten
zij/ze hebben gelaten
voltooid verleden tijdpast perfect
ik had gelaten
jij/je had gelaten
hij/zij/het/u had gelaten
wij/we hadden gelaten
jullie hadden gelaten
zij/ze hadden gelaten
onvoltooid toekomende tijdfuture
ik zal laten
jij/je zult laten
hij/zij/het/u zal laten
wij/we zullen laten
jullie zullen laten
zij/ze zullen laten
voltooid toekomende tijdfuture perfect
ik zal hebben gelaten
jij/je zult hebben gelaten
hij/zij/het/u zal hebben gelaten
wij/we zullen hebben gelaten
jullie zullen hebben gelaten
zij/ze zullen hebben gelaten
onvoltooid verleden toekomende tijdconditional
ik zou laten
jij/je zou laten
hij/zij/het/u zou laten
wij/we zouden laten
jullie zouden laten
zij/ze zouden laten
voltooid verleden toekomende tijdconditional perfect
ik zou hebben gelaten
jij/je zou hebben gelaten
hij/zij/het/u zou hebben gelaten
wij/we zouden hebben gelaten
jullie zouden hebben gelaten
zij/ze zouden hebben gelaten
gebiedende wijs: laat
tegenwoordig deelwoord: latend
voltooid deelwoord: gelaten
Onvoltooid tegenwoordige tijdPresent
Ik laat de hond even in de tuin.
I let the dog into the garden for a bit.
Onvoltooid verleden tijdPast
Zij liet haar paraplu in de bus liggen.
She left her umbrella on the bus.
Voltooid tegenwoordige tijdPresent perfect
Wij hebben alles gewoon zo gelaten.
We left everything just as it was.